Verzakking
(vaginale prolaps)

Een verzakking (vaginale prolaps) is een aandoening waarbij de blaas, de baarmoeder of de darm in of tot buiten de vagina (schede) zakt. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als de bekkenbodem niet goed genoeg meer werkt om de organen op hun plaats te houden. De spieren en bindweefsels van de bekkenbodem kunnen verzwakt of beschadigd zijn. Op deze webpagina leest u meer over deze aandoening en de behandeling hiervan.

Specialismen en team

Afspraak en contact

HMC Antoniushove
HMC Bronovo en
HMC Westeinde 088 979 24 22
ma t/m vr van 08.00 – 16.30 uur
HMC Gezondheidscentrum Wassenaar, 088 979 72 45
ma t/m vr van 08.30 – 17.00 uur

Contact per e-mail

Locatie

Cijfers

205.000 eerste polikliniek consulten
32.000 klinische opnames per jaar
155.000 verpleegdagen
60.000+ patiënten per jaar op de SEH
350 medisch specialisten

Over verzakking (vaginale prolaps)

Een verzakking (vaginale prolaps) is een aandoening waarbij de blaas, de baarmoeder of de darm in of tot buiten de vagina (schede) zakt. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als de bekkenbodem niet goed genoeg meer werkt om de organen op hun plaats te houden. De spieren en bindweefsels van de bekkenbodem kunnen verzwakt of beschadigd zijn. Op deze webpagina leest u meer over deze aandoening en de behandeling hiervan.

Wat merkt u ervan?

  • U kunt een zwaar gevoel in de vagina of laag in uw rug ervaren, dat in de loop van de dag erger kan worden. Misschien heeft u moeite met het leegplassen van de blaas. Of u moet vaak plassen of u heeft een hevige aandrang om te plassen. Ook is het mogelijk dat u urine verliest als u moet hoesten, niezen, persen, lachen en/of springen (we noemen dat stressincontinentie). Daarnaast kunt u urine verliezen zodra u merkt dat u moet plassen (dat noemen we urge-incontinentie).
  • U kunt ook problemen met de ontlasting hebben. Bijvoorbeeld het gevoel dat er ontlasting achterblijft, waardoor u meerdere keren per dag naar de wc moet gaan. En/of u heeft moeite om de ontlasting eruit te krijgen, waarbij u met een vinger in de vagina of anus moet helpen.
  • Het kan ook zijn dat u een gevoel van ongemak of verlies van urine ervaart tijdens de geslachtsgemeenschap.

Waardoor ontstaat een verzakking?

Een verzakking wordt veroorzaakt door een verzwakking of beschadiging van de spieren, bindweefsel en/of zenuwen van de bekkenbodem. Er zijn een aantal risicofactoren waardoor een verzakking kan ontstaan, bijvoorbeeld:

  • Zwangerschap en bevalling: u kunt de klachten pas vele jaren later opmerken, omdat aanvankelijk omringende spieren en bindweefsel de beschadiging kunnen opvangen en maskeren. Pas als deze hulpsystemen zelf ook verzwakt raken, komt de beschadiging (prolaps) aan het licht. Hoe zwaarder de kinderen bij de geboorte waren en/of hoe moeizamer de bevalling verliep, hoe groter de kans op een verzakking. De kans op een verzakking is bijvoorbeeld groter bij kunstverlossingen die worden ingezet als de bevalling niet vordert. Denk aan verlossing met een vacuümpomp of tangverlossing. Hoe vaker u bent bevallen, hoe groter de kans op een prolaps.
  • Leeftijd en overgang (menopauze): hoe hoger de leeftijd, hoe groter de kans op een prolaps. Net als andere spieren en bindweefsel in het lichaam wordt ook de bekkenbodem op oudere leeftijd zwakker.
  • Overmatige en langdurige druk op de bekkenbodem door overgewicht, chronisch hoesten (longziekte of roken), chronische verstopping (obstipatie) en zwaar tillen kunnen ook leiden tot een verzakking.
  • Erfelijke ziekten van het bindweefsel, zoals het syndroom van Marfan of Ehlers-Danlos, kunnen leiden tot een verzakking.
  • Komen in de familie spataderen of liesbreuken voor? Ook dan heeft u een verhoogde kans op een verzakking.

Hoe vaak komt het voor?

Van de vrouwen tussen de 50-79 jaar heeft 24-40 procent een verzakking. Hiervan heeft ongeveer een kwart symptomen waarvoor ze hulp zoeken. De kans om gedurende het leven geopereerd te worden aan een prolaps bedraagt 11-20 procent.

prolaps1.png
Afbeelding 1: de normale anatomie

Welke soorten prolaps zijn er?

Een prolaps kan uitgaan van:

  • De voorwand van de vagina (het voorste compartiment);
  • De achterwand van de vagina (het achterste compartiment);
  • De baarmoeder of de top van de vagina (als de baarmoeder eerder verwijderd is). Dit laatste compartiment wordt het apicale of middelste compartiment genoemd.

Bij een verzakking zijn vaak meerdere compartimenten betrokken.

Prolaps van het voorste compartiment

Dit is het meest voorkomende type verzakking. In 78 procent van de gevallen van een verzakking is het voorste compartiment betrokken.
Hierbij is de blaas en/of plasbuis verzakt in de vagina. In medische termen heet dit een cystocele of cysto-urethrocele.

blaasverzakking.png

Afbeelding 2: de blaasverzakking

Prolaps van het middelste compartiment

Dit is het tweede meest voorkomende type verzakking. Hierbij is de baarmoeder verzakt in de vagina of is de vaginatop (na een eerdere baarmoederverwijdering) zelf verzakt in de vagina.

prolaps2.png

Afbeelding 3: de baarmoederverzakking

Prolaps van het achterste compartiment

Hierbij is het laatste deel van de darm (endeldarm of rectum) verzakt in de vagina. In medische taal wordt dit een rectocele genoemd. Ook een deel van de dunne darm kan verzakken in het bovenste deel van de achterwand van de vagina. Dit wordt een enterocele genoemd.

prolaps3.png

Afbeelding 4: de darmverzakking

Hoe kan een verzakking behandeld worden?

Er zijn twee manieren om een verzakking te behandelen: met of zonder operatie. Hieronder leest u meer over beide mogelijkheden.

Behandeling zonder operatie

Een afwachtend beleid
Een verzakking is zelden levensbedreigend. Veel vrouwen kiezen er dan ook voor om af te wachten als ze weinig last hebben van de verzakking.
Daarnaast is het mogelijk om verergering te voorkomen door bepaalde oorzaken van prolaps aan te pakken. Denk aan het behandelen van een longziekte of verstopping (obstipatie), stoppen met roken, afvallen en het voorkomen van te zwaar tillen.
Soms zal de gynaecoloog u afraden om af te wachten. Bijvoorbeeld als er sprake is van urineweginfecties die steeds terugkeren of als er sprake is van een nierbekkenverwijding doordat de blaas slecht leeggeplast wordt. Of als er bloedingen/wondjes ontstaan aan het slijmvlies van de vaginawand doordat de prolaps buiten de vagina komt en tegen het ondergoed aanschuurt.

Bekkenfysiotherapie
Het oefenen van de bekkenbodemspieren kan de symptomen van vroege stadia van prolaps verminderen en verergering voorkomen. Deze oefeningen vragen tijd, geduld en motivatie. Ze zijn bedoeld om de kracht en de coördinatie van de bekkenbodem te verbeteren. De aangewezen persoon om u hierbij zo goed mogelijk te begeleiden is de bekkenfysiotherapeut. Dit is een fysiotherapeut die gespecialiseerd is in bekkenbodemproblemen en hiervoor een aanvullende opleiding heeft gevolgd. Uw gynaecoloog kan u verwijzen naar een geregistreerd bekkenfysiotherapeut.

Een pessarium (vaginale ring)
Pessaria zijn vaginaal in te brengen voorwerpen die kunnen wisselen in vorm en grootte. Ze ondersteunen de verzakte organen en kunnen zo de klachten verminderen. Ze zijn vooral effectief bij een prolaps van het voorste of apicale (middelste) compartiment en minder effectief bij een prolaps van het achterste compartiment.

Behandeling met een operatie

Er zijn verschillende manieren om een prolaps te opereren. Afhankelijk van de ernst van de prolaps, het aangedane compartiment, uw leeftijd en uw gezondheidstoestand, adviseert uw gynaecoloog over wat de beste chirurgische behandelmethode voor u is.
Er zijn twee soorten chirurgische behandelmethoden: reconstructie en obliteratie.

Reconstructie
De reconstructie heeft tot doel om de normale anatomie en positie van de organen in het kleine bekken zoveel mogelijk te herstellen. Daarbij blijft geslachtsgemeenschap mogelijk. De meeste van deze operaties vinden plaats via de vagina, maar het kan nodig zijn om de operatie via de buik uit te voeren. Uw gynaecoloog neemt samen met u een beslissing.

Normaal gesproken wordt bij de vaginale verzakkingsoperaties lichaamseigen materiaal gebruikt en géén matjes (mesh). Mocht uw gynaecoloog van oordeel zijn dat een mesh noodzakelijk is, dan wordt dit expliciet met u besproken. Daarbij komen alle voor- en nadelen aan bod. Gebruik van een mesh kan nodig zijn als u samen met uw gynaecoloog beslist om een zogenaamde sacrocolpopexie te verrichten (zie verderop deze webpagina). Bij een sacrocolpopexie vindt de ingreep plaats via een buiksnede.

Obliteratie
De obliteratie heeft tot doel om de vagina af te sluiten en zo de klachten van prolaps te verminderen. Geslachtsgemeenschap is dan niet meer mogelijk. Voordelen zijn de korte operatietijd en het relatief snelle herstel.
Voor deze behandelmethode zal vooral gekozen worden bij patiënten op zeer hoge leeftijd. Een andere reden om voor obliteratie te kiezen is als er medische bezwaren zijn om een reconstructieve operatie uit te voeren. Bijvoorbeeld omdat deze te belastend is.

Algemene complicaties bij een operatie

  • Trombose of longembolie (verstopping van een bloedvat door een bloedpropje): om de kans hierop te verlagen, krijgt u voor de operatie en tijdens de opname in het ziekenhuis injecties met een antistollingsmiddel.
  • Infectie in het operatiegebied: om de kans hierop te verlagen, krijgt u vóór de operatie antibiotica toegediend.
  • Bloeding: soms kan er dusdanig veel bloedverlies tijdens een operatie optreden, dat een bloedtransfusie nodig is.
  • Beschadiging aan de omliggende organen: ondanks zorgvuldig opereren, kan een beschadiging aan bijvoorbeeld de plasbuis, blaas, urineleiders en/of darm ontstaan. In voorkomende gevallen wordt geprobeerd om het letsel direct te herstellen, eventueel samen met een andere specialist. Het kan zijn dat u na de operatie nog een langere tijd een katheter, antibiotica of andere medicijnen nodig heeft. Soms is ook nog een aanvullende operatie nodig.
  • Mocht er een complicatie optreden die niet vaginaal te herstellen is, dan kan het nodig zijn dat de operatie via de buik wordt voortgezet. Afhankelijk van de aard van de complicatie beslist uw gynaecoloog om dit via een kijkoperatie (laparoscopie) of snede (laparotomie) te doen.
  • Zowel algehele verdoving (narcose) als ruggenprik (spinale anesthesie) kennen bepaalde complicaties. Vóór de operatie heeft u een gesprek met de anesthesist die u hierover zal voorlichten en met wie u een keuze maakt voor het type verdoving.

Reconstructieve operaties

Voorste compartiment: voorwandplastiek

  • Techniek: De vaginavoorwand wordt opengesneden en de blaas wordt losgemaakt van de vaginawand. Het defect in het onderliggende bindweefsel wordt opgezocht en gehecht. De blaas komt hierdoor weer in zijn oorspronkelijke positie terecht. Vervolgens wordt de vaginavoorwand gesloten. Kan het bindweefseldefect niet afzonderlijk worden geïdentificeerd? Dan wordt geprobeerd om stevig bindweefsel van weerszijden naar het midden toe te trekken en aan elkaar te hechten. Dit vormt dan de nieuwe bodem voor de blaas. Vaak is de vaginawand door de prolaps uitgerekt. Het kan daardoor nodig zijn om er een stuk vanaf te halen voor de vaginawand wordt gesloten. De vaginavoorwand wordt weer gesloten met zelfoplossende hechtingen.
  • Katheter: aan het einde van de operatie wordt er een katheter (een dunne buigzame slang) in de blaas geplaatst. De urine in uw blaas kan dan door de slang aflopen. De katheter wordt de dag na de operatie verwijderd. Daarna wordt gecontroleerd of er na het plassen niet te veel urine in de blaas achterblijft (retentie). Deze controle zal steeds herhaald worden totdat de blaas weer voldoende leeggeplast kan worden. Mocht bij ontslag blijken dat er na het plassen nog te veel urine in de blaas achterblijft? Dan zal de verpleegkundige u aanleren hoe u zelf de blaas thuis kunt leegmaken met een katheter. Vaak is dit maar een paar dagen nodig, omdat de blaas daarna weer spontaan goed gaat werken.
  • Tampon: aan het einde van de operatie wordt er vaak een tampon in de vagina geplaatst. Deze oefent druk uit op het operatiegebied. Hierdoor neemt de kans op een bloeding af. De tampon wordt de dag na de operatie verwijderd.
  • Pijnstilling: omdat elke operatie pijn kan veroorzaken, zult u na de operatie pijnstilling krijgen volgens een vast schema. Het is verstandig om dit schema na ontslag nog een paar dagen aan te houden.
  • Opname: gemiddeld duurt de opname in het ziekenhuis één tot drie dagen.
  • Specifieke aandachtspunten: na een voorwandplastiek is de anatomie weer genormaliseerd en de blaas weer naar zijn oude positie gebracht. Soms moeten patiënten wennen aan de nieuwe manier van plassen. Denk aan een veranderd gevoel van aandrang, verandering van de kracht van de urinestraal en de houding op de wc, etc.
  • Ten slotte is er bij een kleine minderheid van de patiënten sprake van gemaskeerde stressincontinentie. Dit wil zeggen dat u eigenlijk incontinent bent bij drukverhogende momenten zoals lachen, hoesten, niezen, etc., omdat uw plasbuis niet goed werkt. Dit wordt echter gemaskeerd door de prolaps. De prolaps zorgt er namelijk voor dat er een knik in de plasbuis komt. Elke keer als u bijvoorbeeld lacht of niest, wordt deze knik versterkt, zodat er geen ongewild urineverlies optreedt. Na de voorwandplastiek komt de blaas weer op zijn normale positie. De knik in de plasbuis verdwijnt. Het gevolg is dat uw stressincontinentie aan het licht komt. Afhankelijk van de ernst van de klachten zal de behandeling bestaan uit bekkenfysiotherapie en/of een operatie waarbij een TVT-O bandje (kunstof bandje) wordt geplaatst. Dit laatste is bij circa vijf procent van de patiënten nodig.
  • Heroperatie: de kans dat de klachten in de loop van de tijd terugkeren na een voorwandplastiek is circa 20-30 procent. De kans op terugkeer van de klachten is groter naarmate er meer ongunstige factoren zijn zoals overgewicht, roken, obstipatie, chronische longziekten, etc.

Middelste compartiment: Vaginale uterus extirpatie (verwijdering van de baarmoeder door de vagina)

  • Techniek: de vaginawand rondom de baarmoedermond wordt ingesneden. Daarna worden stap voor stap links en rechts bloedvaten, zenuwen en bindweefsel onderbonden met behulp van een hechting. Hierdoor komt bij elke stap de baarmoeder een stukje verder naar buiten. Uiteindelijk ligt de hele baarmoeder met baarmoedermond los. De baarmoeder met baarmoedermond wordt standaard naar de patholoog gestuurd om verder te onderzoeken op afwijkingen. Bij een vaginale uterus extirpatie is het niet mogelijk om de baarmoedermond te behouden.
  • Vaak lukt het tijdens de operatie om ook de beide eierstokken te beoordelen, maar niet altijd. Mocht voor de operatie al vaststaan dat er een afwijking aan één van de eierstokken is, dan zal met u besproken worden wat de beste manier is om deze eierstok te verwijderen. Ten slotte wordt de vaginawand weer gesloten met zelfoplossende hechtingen.
  • Katheter: aan het einde van de operatie wordt er een katheter (een dunne buigzame slang) in de blaas geplaatst. De urine in uw blaas kan dan door de slang aflopen. De katheter wordt de dag na de operatie verwijderd. Daarna wordt gecontroleerd of er na het plassen niet te veel urine in de blaas achterblijft (retentie). Deze controle zal steeds herhaald worden totdat de blaas weer voldoende leeggeplast kan worden. Mocht bij ontslag blijken dat er na het plassen nog te veel urine in de blaas achterblijft? Dan zal de verpleegkundige u aanleren hoe u zelf de blaas thuis kunt leegmaken met een katheter. Vaak is dit maar een paar dagen nodig, omdat de blaas daarna weer spontaan goed gaat werken.
  • Tampon: aan het einde van de operatie wordt er vaak een tampon in de vagina geplaatst. Deze oefent druk uit op het operatiegebied. Hierdoor neemt de kans op een bloeding af. De tampon wordt de dag na de operatie verwijderd.
  • Pijnstilling: omdat elke operatie pijn kan veroorzaken, zult u na de operatie pijnstilling krijgen volgens een vast schema. Het is verstandig om dit schema na ontslag nog een paar dagen aan te houden.
  • Opname: gemiddeld duurt de opname in het ziekenhuis twee tot drie dagen.
  • Seksueel functioneren: patiënten vrezen soms onterecht dat hun seksueel functioneren zal verslechteren na een baarmoederverwijdering. Vooral de laatste jaren is er steeds meer literatuur verschenen, waaruit blijkt dat bij de juiste indicatie een baarmoederverwijdering het seksueel functioneren juist verbetert.
  • Heroperatie: de kans dat de klachten in de loop van de tijd terugkeren na een vaginale uterus extirpatie (een recidief) is circa 10-15 procent. De kans op terugkeer van de klachten is groter naarmate er meer ongunstige factoren zijn zoals overgewicht, roken, obstipatie, chronische longziekten, etc.

Sacro-spinale fixatie van de baarmoeder of vaginatop (het ophangen van de baarmoeder of vaginatop aan een peesbandje achter in het bekken)

  • Techniek: de vagina-achterwand wordt ingesneden tot aan de baarmoedermond of vaginatop. De darm wordt losgemaakt van de vaginawand en het betreffende peesbandje achter in het bekken (het sacro-spinale ligament) wordt opgezocht. Daar worden twee onoplosbare hechtingen door geplaatst. Die worden vervolgens ook door de baarmoedermond of de vaginatop geplaatst. Door deze twee hechtingen te knopen, wordt de vaginatop of de baarmoedermond (met baarmoeder) terug het lichaam ingetrokken. De prolaps “verdwijnt” hierdoor. Tenslotte wordt de vagina-achterwand weer gesloten met zelfoplossende hechtingen.
  • Katheter: aan het einde van de operatie wordt er een katheter (een dunne buigzame slang) in de blaas geplaatst. De urine in uw blaas kan dan door de slang aflopen. De katheter wordt de dag na de operatie verwijderd. Daarna wordt gecontroleerd of er na het plassen niet te veel urine in de blaas achterblijft (retentie). Deze controle zal steeds herhaald worden totdat de blaas weer voldoende leeggeplast kan worden. Mocht bij ontslag blijken dat er na het plassen nog te veel urine in de blaas achterblijft? Dan zal de verpleegkundige u aanleren hoe u zelf de blaas thuis kunt leegmaken met een katheter. Vaak is dit maar een paar dagen nodig, omdat de blaas daarna weer spontaan goed gaat werken.
  • Tampon: aan het einde van de operatie wordt er vaak een tampon in de vagina geplaatst. Deze oefent druk uit op het operatiegebied. Hierdoor neemt de kans op een bloeding af. De tampon wordt de dag na de operatie verwijderd.
  • Pijnstilling: omdat elke operatie pijn kan veroorzaken, zult u na de operatie pijnstilling krijgen volgens een vast schema. Het is verstandig om dit schema na ontslag nog een paar dagen aan te houden.
  • Opname: gemiddeld duurt de opname in het ziekenhuis twee tot drie dagen.
  • Specifieke aandachtspunten: na de operatie kunt u pijn ervaren in uw billen. Dit komt omdat het lichaam moet wennen aan de spanning die er op het peesbandje is gekomen. Deze pijn verdwijnt meestal binnen een aantal dagen tot enkele weken. Als de baarmoedermond nog aanwezig is, dan moet u ook na de operatie uitstrijkjes laten afnemen in het kader van het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker.
  • Heroperatie: de kans dat de klachten in de loop van de tijd terugkeren na een sacro-spinale fixatie (een recidief) is circa 10-15 procent. De kans op terugkeer van de klachten is groter naarmate er meer ongunstige factoren zijn zoals overgewicht, roken, obstipatie, chronische longziekten, etc.

Manchester-Fothergill

  • Techniek: de vaginawand rondom de baarmoedermond wordt ingesneden en de blaas wordt van de baarmoeder afgeschoven. Daarna worden links en rechts van de baarmoederhals/baarmoeder de peesbandjes (ligamenten) losgesneden. Een groot deel van de baarmoederhals wordt verwijderd. De losgesneden peesbandjes worden aan de voorzijde van de baarmoederhals stomp/baarmoeder ingehecht. Hierdoor wordt de baarmoeder terug het lichaam in geduwd. Ten slotte wordt de vaginawand weer gesloten met zelfoplossende hechtingen.
  • Katheter: aan het einde van de operatie wordt er een katheter (een dunne buigzame slang) in de blaas geplaatst. De urine in uw blaas kan dan door de slang aflopen. De katheter wordt de dag na de operatie verwijderd. Daarna wordt gecontroleerd of er na het plassen niet te veel urine in de blaas achterblijft (retentie). Deze controle zal steeds herhaald worden totdat de blaas weer voldoende leeggeplast kan worden. Mocht bij ontslag blijken dat er na het plassen nog te veel urine in de blaas achterblijft? Dan zal de verpleegkundige u aanleren hoe u zelf de blaas thuis kunt leegmaken met een katheter. Vaak is dit maar een paar dagen nodig, omdat de blaas daarna weer spontaan goed gaat werken.
  • Tampon: aan het einde van de operatie wordt er vaak een tampon in de vagina geplaatst. Deze oefent druk uit op het operatiegebied. Hierdoor neemt de kans op een bloeding af. De tampon wordt de dag na de operatie verwijderd.
  • Pijnstilling: omdat elke operatie pijn kan veroorzaken, zult u na de operatie pijnstilling krijgen volgens een vast schema. Het is verstandig om dit schema na ontslag nog een paar dagen aan te houden.
  • Opname: gemiddeld duurt de opname in het ziekenhuis twee tot drie dagen.
  • Specifieke aandachtspunten: de techniek is bij uitstek geschikt als er sprake is van een lange baarmoederhals (cervix). U moet ook na de operatie nog uitstrijkjes laten afnemen in het kader van het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker.
  • Heroperatie: de kans dat de klachten in de loop van de tijd terugkeren na een Manchester-Fothergill operatie (een recidief) is circa 10-15 procent. De kans op terugkeer van de klachten is groter naarmate er meer ongunstige factoren zijn, zoals overgewicht, roken, obstipatie, chronische longziekten, etc.

Sacrocolpopexie

  • Techniek: een sacrocolpopexie is een ingreep om een verzakking van de vaginatop te herstellen bij vrouwen waarbij de baarmoeder al verwijderd is. Een variant van de operatie waarbij de baarmoeder nog niet verwijderd is, heet sacrohysteropexie. Binnen HMC wordt de ingreep uitgevoerd door middel van een buiksnede (laparotomie) onder algehele narcose. Hierbij wordt de voorzijde van de vagina losgemaakt van de blaas en de achterzijde van de vagina losgemaakt van de endeldarm. Vervolgens wordt een permanent synthetisch matje (mesh) vastgemaakt aan de vrijgelegde voor- en achterzijde van de vagina. Bovenaan wordt de mesh bevestigd aan het heiligbeen (sacrum), zodat het geheel omhoog getrokken wordt. Zie afbeelding 5. Daarna wordt de mesh bedekt met het buikwandvlies (peritoneum), zodat de darmen niet vast kunnen groeien aan de mesh.
  • Katheter: aan het einde van de operatie wordt er een katheter (een dunne buigzame slang) in de blaas geplaatst. De urine in uw blaas kan dan door de slang aflopen. De katheter wordt de dag na de operatie verwijderd. Daarna wordt gecontroleerd of er na het plassen niet te veel urine in de blaas achterblijft (retentie). Deze controle zal steeds herhaald worden totdat de blaas weer voldoende leeggeplast kan worden. Mocht bij ontslag blijken dat er na het plassen nog te veel urine in de blaas achterblijft? Dan zal de verpleegkundige u aanleren hoe u zelf de blaas thuis kunt leegmaken met een katheter. Vaak is dit maar een paar dagen nodig, omdat de blaas daarna weer spontaan goed gaat werken.
  • Tampon: aan het einde van de operatie wordt er vaak een tampon in de vagina geplaatst. Deze oefent druk uit op het operatiegebied. Hierdoor neemt de kans op een bloeding af. De tampon wordt de dag na de operatie verwijderd.
  • Pijnstilling: omdat elke operatie pijn kan veroorzaken, zult u na de operatie pijnstilling krijgen volgens een vast schema. Het is verstandig om dit schema na ontslag nog een paar dagen aan te houden.
  • Opname: gemiddeld duurt de opname in het ziekenhuis drie tot vier dagen.
  • Specifieke aandachtspunten: meestal zal de buikwond gesloten worden met oplosbare hechtingen. Om klachten van obstipatie (verstopping) te voorkomen, is het belangrijk om genoeg te drinken (circa twee liter per dag) en gevarieerd te eten en te drinken. Eet voldoende groente, fruit en vezels. Bewegen is eveneens belangrijk, omdat lichaamsbeweging de werking van de darmen stimuleert. Soms is het noodzakelijk om de obstipatie te behandelen met laxeermiddelen zoals Movicolon®. Verder is het belangrijk om uw temperatuur niet rectaal (via de anus) te meten en ook geen zetpillen in te brengen.
  • Heroperatie: de kans dat de klachten in de loop van de tijd terugkeren na een sacrocolpopexie (een recidief) is circa tien procent. De kans op terugkeer van de klachten is groter naarmate er meer ongunstige factoren zijn zoals overgewicht, roken, obstipatie, chronische longziekten, etc.

sacrocolpopexie.png

Afbeelding 5: sacrocolpopexie

Achterste compartiment: achterwandplastiek

  • Techniek: de achterwand van de vagina wordt opengesneden. De endeldarm en/of dunne darm wordt losgemaakt van de vaginawand. Hierna wordt het defect in het onderliggende bindweefsel opgezocht en gehecht. De endeldarm en/of dunne darm komt hierdoor weer terecht in zijn oorspronkelijke positie. Vervolgens wordt de achterwand van de vagina gesloten. Kan het bindweefseldefect niet afzonderlijk worden geïdentificeerd? Dan wordt geprobeerd om stevig bindweefsel van weerszijden naar het midden toe te trekken en aan elkaar te hechten. Dit vormt dan de nieuwe bodem voor de blaas. Vaak is de vaginawand door de prolaps uitgerekt. Het kan daardoor nodig zijn om er een stuk vanaf te halen voor de vaginawand gesloten wordt. Ten slotte wordt de achterwand van de vagina weer gesloten met zelfoplossende hechtingen.
  • Katheter: aan het einde van de operatie wordt er een katheter (een dunne buigzame slang) in de blaas geplaatst. De urine in uw blaas kan dan door de slang aflopen. De katheter wordt de dag na de operatie verwijderd. Daarna wordt gecontroleerd of er na het plassen niet te veel urine in de blaas achterblijft (retentie). Deze controle zal steeds herhaald worden totdat de blaas weer voldoende leeggeplast kan worden. Mocht bij ontslag blijken dat er na het plassen nog te veel urine in de blaas achterblijft? Dan zal de verpleegkundige u aanleren hoe u zelf de blaas thuis kunt leegmaken met een katheter. Vaak is dit maar een paar dagen nodig, omdat de blaas daarna weer spontaan goed gaat werken.
  • Tampon: aan het einde van de operatie wordt er vaak een tampon in de vagina geplaatst. Deze oefent druk uit op het operatiegebied. Hierdoor neemt de kans op een bloeding af. De tampon wordt de dag na de operatie verwijderd.
  • Pijnstilling: omdat elke operatie pijn kan veroorzaken, zult u na de operatie pijnstilling krijgen volgens een vast schema. Het is verstandig om dit schema na ontslag nog een paar dagen aan te houden.
  • Opname: gemiddeld duurt de opname in het ziekenhuis één tot drie dagen.
  • Specifieke aandachtspunten: veel patiënten met een verzakking in het achterste compartiment hebben klachten van obstipatie (verstopping). Het is belangrijk om de obstipatie zo goed mogelijk te behandelen door een gevarieerd dieet, door voldoende groente, fruit en vezels te eten en vooral ook door genoeg te drinken (circa twee liter per dag). Daarnaast moet u voldoende bewegen, omdat lichaamsbeweging de darm stimuleert. Hierdoor verminderen de obstipatieklachten. Soms is het noodzakelijk om de obstipatie te behandelen met laxeermiddelen zoals Movicolon®. Na een achterwandplastiek kan het zijn dat “een grote boodschap doen” iets anders verloopt dan u gewend bent. Over het algemeen gaat het makkelijker.
  • Verder is het belangrijk om uw temperatuur niet rectaal (via de anus) te meten en ook geen zetpillen in te brengen.
  • Heroperatie: de kans dat de klachten in de loop van de tijd terugkeren na een achterwandplastiek (een recidief) is circa 10-15 procent. De kans op terugkeer van de klachten is groter naarmate er meer ongunstige factoren zijn zoals overgewicht, roken, obstipatie, chronische longziekten, etc.

Oblitererende operaties

  • Techniek: er zijn verschillende operatietechnieken om de vagina af te sluiten (colpocleisis). Denk onder andere aan de operatie volgens Labhardt of Lefort. Hierbij wordt door middel van het aaneenhechten van de vaginawanden en/of de schaamlippen ervoor gezorgd dat de verzakking teruggeduwd wordt en in de vagina blijft. Dit gebeurt met zelfoplossende hechtingen.
  • Katheter: aan het einde van de operatie wordt er een katheter (een dunne buigzame slang) in de blaas geplaatst. De urine in uw blaas kan dan door de slang aflopen. De katheter wordt de dag na de operatie verwijderd. Daarna wordt gecontroleerd of er na het plassen niet te veel urine in de blaas achterblijft (retentie). Deze controle zal steeds herhaald worden totdat de blaas weer voldoende leeggeplast kan worden. Mocht bij ontslag blijken dat er na het plassen nog te veel urine in de blaas achterblijft? Dan zal de verpleegkundige u aanleren hoe u zelf de blaas thuis kunt leegmaken met een katheter. Vaak is dit maar een paar dagen nodig, omdat de blaas daarna weer spontaan goed gaat werken.
  • Pijnstilling: omdat elke operatie pijn kan veroorzaken, zult u na de operatie pijnstilling krijgen volgens een vast schema. Het is verstandig om dit schema na ontslag nog een paar dagen aan te houden.
  • Opname: gemiddeld duurt de opname in het ziekenhuis één tot twee dagen.
  • Specifieke aandachtspunten: de ingreep duurt relatief kort, waardoor deze operatie ook op hoge leeftijd goed uitgevoerd kan worden. De operatie is in de eerste plaats bedoeld om de verzakkingsklachten te verhelpen. Incontinentieklachten verbeteren soms ook, maar niet altijd. In enkele gevallen kunnen deze klachten verergeren. Seksueel contact door middel van penetratie is niet meer mogelijk na deze ingreep. Het afnemen van uitstrijkjes in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker kan eveneens niet meer plaatsvinden.

Na de operatie

Voor het ontslag heeft u een gesprek met de zaalarts en verpleegkundige. Zij geven u uitleg over het herstel, de leefregels en bij welke symptomen u contact moet opnemen met het ziekenhuis. U krijgt een afspraak mee voor nacontrole. Deze vindt meestal vier tot vijf weken na de operatie plaats.

Herstel

Een operatie betekent een behoorlijke belasting voor uw lichaam. Het zal gemiddeld zes weken duren voordat u zich weer redelijk fit voelt. In die periode is het belangrijk om uw lichaam voldoende rust te geven.

Leefregels na de operatie

  • Gedurende de eerste twee weken mag u niet autorijden.
  • Gedurende de eerste zes weken mag u geen zware dingen tillen (zoals boodschappen, kleine kinderen, de was ophangen, etc.).
  • Gedurende de eerste zes weken mag u niet sporten en geen andere fysiek inspannende bezigheden uitvoeren (zoals huishoudelijk werk, in de tuin werken of de hond uitlaten).
  • Gedurende de eerste zes weken mag u geen vaginaal seksueel contact hebben om de herstellende vaginawanden niet te beschadigen.
  • Gedurende de eerste zes weken kunt u beter niet werken. Overleg tijdig met uw bedrijfsarts over de operatie en de werkhervatting hierna.
  • Gedurende de eerste zes weken kunt u beter niet in bad gaan zitten of in een zwembad zwemmen. Douchen mag uiteraard wel.
  • Voorkom obstipatie (zie ook de informatie onder “Achterste compartiment: achterwandplastiek/specifieke aandachtspunten”).
  • Wonden genezen minder snel als u rookt. Het is daarom beter om te stoppen met roken.

Wanneer moet u contact opnemen

  • Als u in de dagen na de operatie thuis koorts ontwikkelt.
  • Als de pijn in de dagen na de operatie toe lijkt te nemen.
  • Als het bloedverlies in de dagen na de operatie fors toeneemt.
  • Als u last krijgt van een (mogelijke) urineweginfectie.
  • Als één van uw benen warm, dik, rood en pijnlijk wordt.
  • Als u kortademig wordt of pijn op de borst krijgt.

Met vragen en voor meer informatie kunt u terecht bij de polikliniek Gynaecologie, U kunt tijdens kantooruren contact opnemen.
HMC Antoniushove, HMC Bronovo en HMC Westeinde 088 979 24 22.
Buiten kantooruren kunt u contact opnemen met de Spoedeisende Hulp via telefoonnummer 088 979 23 80.

Meer informatie kunt u vinden op de website: www.degynaecoloog.nl

Aanvullende informatie

Meer informatie kunt u vinden op de volgende websites:

  • De Nederlandse Vereniging voor Gynaecologie en Obstetrie: www.nvog.nl.
  • De Internationale Urogynaecologie Vereniging: www.iuga.org.
  • De Stichting Bekkenbodem Patiënten: www.bekkenbodem.net.
  • De Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie bij Bekkenproblematiek en Pré- en Postpartum Gezondheidszorg: nvfb.fysionet.nl.
  • Voor een geregistreerd bekkenfysiotherapeut bij u in de buurt kunt u kijken op www.defysiotherapeut.com.

Bronvermelding

Voor het maken van deze webpagina zijn meerdere bronnen geraadpleegd. Het gaat onder andere om www.iuga.org en www.nvog.nl. Verder is er informatie gehaald uit het American Journal of Obstetrics & Gynecology (AJOG), Obstetrics & Gynecology en European Journal of Obstetrics and Gynecology and Reproductive Biology (EJOGRB). Het gaat onder meer om: Hendrix et al. AJOG 2002; Handa et al. AJOG 2004; Bradley et al. Obstet Gynecol 2007; Nygaard et al. Obstet Gynecol 2004; Slieker-Ten Hove et al. AJOG 2009; Olsen et al. Obstet Gynecol 1997; Smith et al. Obstet Gynecol 2010; De Boer et al. EJOGRB 2011.

De afbeelding en tekst in deze brochure zijn auteursrechtelijk beschermd en mogen alleen na toestemming van de afdeling Communicatie van HMC overgenomen worden.

Verzakking (vaginale prolaps)

Waarom HMC?

  • Breed en gespecialiseerd zorgaanbod
  • We vernieuwen en verbeteren de zorg continu
  • Samenwerken vinden we vanzelfsprekend
  • Gastvrij ziekenhuis