Bloedtransfusie

Binnenkort zult u een behandeling of ingreep ondergaan, waarbij er een kans bestaat dat u bloed toegediend moet krijgen (een bloedtransfusie). Op deze webpagina vindt u informatie over een bloedtransfusie.

Locatie

Cijfers

Per jaar:
650.000 bloedafnames
6 miljoen onderzoeken

Over bloedtransfusie

Binnenkort zult u een behandeling of ingreep ondergaan, waarbij er een kans bestaat dat u bloed toegediend moet krijgen (een bloedtransfusie). Op deze webpagina vindt u informatie over een bloedtransfusie.

Waarom een bloedtransfusie?

Ieder jaar ontvangen zo’n 250.000 mensen in Nederland een bloedtransfusie. Dit kunnen slachtoffers van ongevallen zijn, patiënten die een (grote) operatie ondergaan en patiënten die voor kanker of (kwaadaardige) bloedziekten worden behandeld.

Bloed bestaat uit verschillende bestanddelen: rode bloedcellen, witte bloed¬¬cellen, bloedplaatjes en plasma. Bij een bloedtransfusie worden rode bloedcellen, bloedplaatjes of plasma gegeven:

  • Rode bloedcellen: Rode bloedcellen vervoeren zuurstof van de longen naar alle delen van het lichaam. Als er te weinig rode bloedcellen zijn, wordt dit bloedarmoede genoemd.
  • Bloedplaatjes: Bloedplaatjes (trombocyten) zorgen ervoor dat het bloed goed stolt. Wanneer iemand te weinig bloedplaatjes heeft, kunnen er bloedingen ontstaan. Sommige medicijnen (onder andere ascal en aspirine) remmen de werking van trombocyten. Als u die gebruikt, geeft de arts u soms voor een ingreep of operatie een trombocytentransfusie.
  • Plasma: De vloeistof waarin de bloedcellen zitten, heet plasma. De kleur van plasma is geel en er zitten veel verschillende stoffen in, zoals zouten, suiker, vet en eiwitten. Sommige eiwitten zijn nodig om, samen met de bloedplaatjes, het bloed goed te laten stollen. Als iemand weinig van deze eiwitten heeft, kan een plasma-infuus worden gegeven.

Soms is het nodig om bij een bloedtransfusie rode bloedcellen, plasma én bloedplaatjes te geven.

Bloedtransfusies worden door uw arts voorgeschreven als dat voor de behandeling noodzakelijk is. Uw arts doet dit echter niet zonder uw toestemming, tenzij er sprake is van een acute situatie.

De arts zal u vooraf duidelijk inlichten over:

  • De reden van de bloedtransfusie;
  • De risico’s die aan de transfusie verbonden zijn;
  • De risico’s die ontstaan wanneer u niet instemt met een bloedtransfusie;
  • Eventuele alternatieven voor de bloedtransfusie;
  • Of bij sommige ingrepen transfusie met uw eigen bloed mogelijk is.

Hoe veilig is een bloedtransfusie?

Om een bloedtransfusie zo veilig mogelijk te maken, worden de volgende maatregelen genomen:

  • Alleen gezonde mensen kunnen bloeddonor worden.
  • Donors geven hun bloed vrijwillig en worden hier niet voor betaald.
  • Het donorbloed wordt gecontroleerd op:
    • Een aantal geelzuchtvirussen;
    • De geslachtsziekte syfilis;
    • Een virus dat een ruggenmergziekte en leukemie kan veroorzaken;
    • Het HIV-virus dat aids kan veroorzaken;
    • De aanwezigheid van bacteriën (in het geval van bloedplaatjes).

Wanneer blijkt dat het bloed mogelijk besmet is, wordt het vernietigd. Toch blijft er, ondanks alle voorzorgsmaatregelen, een zeer kleine kans bestaan op besmetting met een virus of ziekte door de bloedtransfusie. Zo is de kans dat een zak bloed besmet is met HIV kleiner dan één op een miljoen. Het kan echter zijn dat de bloeddonor nog maar kort geleden werd besmet. De aanwezigheid van de ziekteverwekker kan dan nog niet in zijn bloed worden aangetoond.

Het is belangrijk dat het bloed dat iemand toegediend krijgt bij hem of haar “past”. Daarom wordt er binnen 48-72 uur voor de transfusie bloed bij u afgenomen om uw bloedgroep en rhesusfactor te bepalen. Zijn uw bloedgroepgegevens in het ziekenhuis onbekend? Dan wordt er voor de veiligheid een tweede keer bloed afgenomen om uw bloedgroep of rhesusfactor definitief vast te stellen.

Sommige mensen hebben afweerstoffen (=antistoffen) tegen bloedcellen van anderen in hun bloed. Deze stoffen kunnen aanwezig zijn na een zwangerschap of eerdere bloedtransfusie. Als dat het geval is, kan het langer duren voordat er “passend” bloed wordt gevonden.
Ten slotte zal de verpleegkundige vlak voordat u een bloedtransfusie krijgt nogmaals controleren of het bloed van de donor inderdaad voor u bestemd is.

Bijwerkingen

Er kan een allergische reactie optreden door een bloedtransfusie. Zo’n reactie is herkenbaar aan koorts, rillingen, galbulten, jeuk of een rode huid. Dit kan vaak eenvoudig met medicijnen worden behandeld.

Sommige mensen vormen na een bloedtransfusie afweerstoffen tegen andermans bloedcellen. Ook dit kan een reactie geven in de vorm van koorts. Deze reactie kan met medicijnen worden behandeld. Zo’n reactie kan ook worden veroorzaakt door afweerstoffen tegen bloedcellen van een bepaalde bloedgroep. In dit geval krijgt u een transfusiekaartje waarop staat dat u bepaalde antistoffen heeft. Dit moet u bij volgende bloedtransfusies altijd aan uw arts tonen. Omdat de mogelijkheid bestaat dat deze afweerstoffen na verloop van tijd niet meer aantoonbaar zijn, worden de gegevens over deze afweerstoffen en ook die over ernstige allergische reacties opgeslagen in een Landelijk Datasysteem (TRIX). Bij een volgende transfusie kan het transfusielaboratorium van het ziekenhuis waar u op dat moment wordt behandeld TRIX raadplegen en zo goed mogelijk passend bloed voor u uitzoeken. Vraag uw arts om informatie.

Heeft u bezwaren tegen opname van uw transfusiegegevens in het landelijk datasysteem? Dan kunt u een schriftelijk bezwaarschrift indienen bij uw behandelend arts.

Een bloedtransfusie weigeren

HMC kan geen garantie geven (in belang van uzelf) dat er bij levensbedreigend bloedverlies geen bloedtransfusie wordt gegeven bij een geplande operatie. Heeft u een onoverkomelijk bezwaar tegen een bloedtransfusie? Dan moet u dit voordat uw behandeling begint duidelijk maken bij uw behandelend arts. De behandelend arts zal in overleg met u naar een oplossing zoeken. Hij of zij kan u bijvoorbeeld naar een geschikt ander ziekenhuis doorverwijzen.

Een autologe transfusie

Een autologe transfusie houdt in dat u voorafgaand aan een operatie uw eigen bloed laat afnemen, om dit tijdens de operatie weer terug te krijgen. Om voor een autologe transfusie in aanmerking te komen, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Uw lichamelijke conditie moet goed zijn, uw bloedvaten moeten geschikt zijn om vaker bloed af te kunnen nemen en uw bloed moet getest worden op bloedoverdraagbare ziekten. Ten slotte moet de datum van de operatie ruim van tevoren vaststaan. Als u uw eigen bloed toegediend wilt en kunt krijgen, moet u in de maand voorafgaand aan de operatie enkele malen naar de Sanquin Bloedbank om een halve liter bloed te laten afnemen. Tijdens de operatie of kort daarna kan het eigen bloed dan weer worden teruggegeven. U kunt met uw behandelend arts of anesthesioloog overleggen of u in aanmerking komt voor een transfusie met uw eigen bloed.

Wanneer u tijdens de operatie veel bloed verliest, kan het zijn dat een transfusie met uw eigen bloed niet voldoende is en dat u ook bloed van een donor moet krijgen. Ook kan het voorkomen dat er geen bloed nodig is tijdens de operatie en dat uw eigen bloed niet gebruikt en vernietigd wordt. Bij sommige operaties is het ook mogelijk dat het bloed uit de wond opgezogen wordt en daarna met een speciaal apparaat wordt gewassen, gefilterd en weer teruggeven aan u.

Klachten thuis

Krijgt u binnen enkele dagen klachten van de bloedtransfusie of koorts? Neem dan contact op met de afdeling waar u de transfusie heeft gehad.

Bloedtransfusie bij kinderen

Informatiefolders over een bloedtransfusie bij kinderen kunt u vinden op de site van Sanquin: www.sanquin.org.

Vragen

Heeft u na het lezen van deze webpagina nog vragen, stelt u deze dan aan uw behandelend arts.

Bloedtransfusie

Waarom HMC?

  • Breed en gespecialiseerd zorgaanbod
  • We vernieuwen en verbeteren de zorg continu
  • Samenwerken vinden we vanzelfsprekend
  • Gastvrij ziekenhuis